door Piet Loof.
Hoe zit het nou eigenlijk met je paard in de wei? Is het gezond of juist risicovol?
Het antwoord is minder simpel dan vaak wordt gedacht.
Gras is geen vast voer met een constant suikergehalte. Het verandert de hele dag door onder invloed van zon, temperatuur en groei. Daardoor kan hetzelfde weiland het ene moment “rustig” zijn en een paar uur later juist rijk aan suikers. Ook de samenstelling van de wei – en de bemesting – speelt daarin mee: die bepaalt hoe hoog of laag die waarden kúnnen worden, maar het moment van de dag bepaalt waar je daadwerkelijk zit.
Voor het paard is grazen natuurlijk gedrag en past het goed bij de spijsvertering. Maar de vraag is niet alleen óf een paard in de wei hoort, maar vooral wanneer en onder welke omstandigheden. Daar zit het echte verschil.

Gras heeft dus geen vast suikerpercentage en dat is precies waar veel verwarring in de discussie over paardenvoer ontstaat. In de praktijk wordt vaak gesproken alsof “gras” één vaste voederwaarde heeft, maar dat klopt niet. Het suikergehalte in gras verandert voortdurend door licht, temperatuur, groei en tijd van de dag.
Op een zonnige dag bouwt gras gedurende de dag suikers op door fotosynthese. ’s Nachts verbruikt de plant een deel van die suikers weer voor groei. Daardoor is gras in de vroege ochtend meestal relatief arm aan suikers en richting de middag en late namiddag juist rijker. Voeg daar koude nachten aan toe, zoals we die in Nederland regelmatig hebben in het voorjaar en najaar, en je ziet dat suikers zich kunnen ophopen in de plant. Het resultaat is dat hetzelfde weiland binnen 24 uur van laag naar hoog in suiker kan verschuiven, zonder dat het gras op het oog verandert.
Daarmee wordt duidelijk dat het probleem niet zozeer “gras” is, maar de dynamiek ervan. Het ene moment is het een relatief veilige bron van vezels en energie, het volgende moment kan het aanzienlijk meer snel beschikbare koolhydraten bevatten. Dat maakt management lastig, omdat je niet met één getal kunt werken.
Als je dat vergelijkt met hooi, zie je een ander principe. Hooi is in zekere zin een momentopname: wat er op het moment van oogsten in zit, blijft grotendeels zo. Een hooi met bijvoorbeeld 15% suiker blijft 15%, ongeacht zon of temperatuur. Dat maakt het voorspelbaar, maar niet per definitie “beter” of “slechter”. Het effect op het paard hangt nog steeds af van opname, hoeveelheid en gevoeligheid van het dier.
De kern is dus dat paarden niet reageren op etiketten zoals gras of hooi, maar op totale suikeropname in combinatie met snelheid en patroon van opname. Een paard dat 24/7 in de wei staat, krijgt geen constant gemiddelde binnen, maar een voortdurend veranderende stroom van energie. En dat is precies waar hun stofwisseling op reageert.
Wie echt wil sturen op gezondheid kijkt daarom niet alleen naar percentages op papier, maar naar het ritme van opname en de omstandigheden waarin dat voer wordt aangeboden.

Wanneer laat je dan je paard het beste in de wei als je niet wilt dat het veel suikers binnen krijgt omdat het niet áltijd op de wei staat?
Als je het doel hebt om de suikerinname zo laag mogelijk te houden, dan draait het in de praktijk niet om “altijd wel of niet in de wei”, maar om het moment waarop je het paard toegang geeft tot het gras. Omdat gras geen constant product is, verschuift het risico gedurende de dag.
De veiligste momenten zijn meestal de vroege ochtend, dus rond zonsopkomst en de uren daarna. In die periode heeft het gras ’s nachts suikers verbruikt voor groei en is het gehalte aan wateroplosbare koolhydraten doorgaans op het laagste punt van de cyclus. Zeker wanneer de nacht relatief zacht is geweest, krijg je dan de meest “uitgeputte” versie van het gras.
Aan de andere kant van het spectrum zit de late middag en vroege avond, vooral na een zonnige dag. Dan heeft de plant de hele dag suikers opgebouwd en is de concentratie vaak op zijn hoogst. Als daar nog koude nachten aan vooraf zijn gegaan in voor- of najaar, wordt dat effect versterkt doordat de groei ’s nachts stilvalt terwijl de fotosynthese overdag gewoon doorgaat.
Wat je dus in de praktijk ziet, is dat een ochtendvenster meestal het meest gunstig is wanneer je bewust met lage suikerbelasting wilt werken. Een middag- of vroege avond- is juist het minst gunstig, omdat je dan het meest geconcentreerde gras combineert met een paard dat vaak ook nog een hoge opnamebereidheid heeft door activiteit en ritme.

Belangrijk blijft wel dat dit nooit een zwart-wit systeem is. Weersomstandigheden, seizoen, bodem, grassoort en groeisnelheid kunnen dit patroon versterken of afvlakken. En uiteindelijk blijft ook hier gelden dat het niet alleen gaat om wat er in het gras zit, maar vooral om hoeveel en hoe snel het paard het binnenkrijgt en of je te maken hebt met een gevoelig of juist robuust metabolisch systeem.
De moeite waard om te bedenken hoe het bij jou zal zijn. Want regeren is vooruit zien!

PS De laatste jaren kijken veel voedingsexperts anders naar fructaan. Het wordt steeds minder gezien als één op zichzelf staande “schuldige”, en meer als onderdeel van het totale koolhydraatprofiel van gras dat sterk mee verandert met groei, weer en seizoen.
De nadruk ligt daardoor vaker op context: hoeveel er aanwezig is, onder welke omstandigheden het gras groeit en hoe het individuele paard erop reageert. Dat maakt het beeld minder zwart-wit en meer afhankelijk van situatie en observatie.
Altijd zinvol om je voor je paard(en) bv met een voedingsdeskundige daarin verder te verdiepen, omdat inzichten blijven verschuiven en de praktijk vaak genuanceerder is dan vaste regels.
